"Hier kan eventueel een mooie quote"

Reactie op het rapport ‘Monumenten: Inspiratiebron voor natuur!’

Reactie op het rapport ‘Monumenten: Inspiratiebron voor natuur!’

van Prof. Mr Pieter van Vollenhoven. 

Het onderhavig rapport doet verslag van het onderzoek naar de vraag of de ervaringen in de monumentenwereld inspiratie kunnen bieden voor de vraagstukken in het hedendaagse natuurbeheer. Bron van inspiratie vormen de ervaringen van de voorzitter van de commissie, prof. mr Pieter van Vollenhoven, bij het Nationaal Restauratiefonds en het Nationaal Groenfonds. Het rapport is geschreven op verzoek van (toenmalig) staatssecretaris Dijksma van EZ.

Wat het samenwerkingsverband LandschappenNL betreft is de aanleiding voor de vraagstelling een hele legitieme: de financiering van het natuurbeheer staat onder druk, gedachten over hoe we tot een nog effectievere en nog efficiëntere besteding van de middelen zouden kunnen komen, danwel hoe we meer middelen voor het natuurbeheer zouden kunnen generen, zijn meer dan welkom. En natuur moet midden in de samenleving staan. Met die gedachten in het achterhoofd hebben we het rapport aandachtig gelezen. Met de volgende, eerste, conclusies:

Belang van natuur als integraal onderdeel van de samenleving
In het rapport benadrukt Van Vollenhoven het belang van natuur als integraal onderdeel van de samenleving. Natuur moet vooral meer/weer iets van alle mensen zijn: natuur is van waarde voor de directe omgeving en voor de samenleving als geheel. Dat onderstrepen we graag. De provinciale Landschappen, met meer dan 310.000 begunstigers/leden en ca. 14.000 actieve vrijwilligers, beheren natuur voor en door burgers. Alle provinciale organisaties binnen LandschappenNL samen ondersteunen 75.000 vrijwilligers. En doen dat vooral lokaal: verankering in de streek is een voorwaarde voor natuurwaardering en voor adequaat natuurbeheer. De discussie zit ’m wat ons betreft dan ook niet in het ‘wat’, maar vooral in het ‘hoe’.

Wirwar van benamingen, beschermingseisen en doelstellingen 
Het rapport kaart terecht de wirwar van benamingen, beschermingseisen en doelstellingen aan; duidelijkheid over wat doelen zijn, en wie waar over gaat, is zeker wenselijk. Terecht pleit Van Vollenhoven dan ook voor eenduidig natuurbeleid, en vooral ook voor een eenvoudig uit te leggen financiering ervan. En wat Van Vollenhoven betreft het liefst door Rijksnatuurmonumenten, provinciale natuurmonumenten en gemeentelijke natuurmonumenten te realiseren, elk met voldoende financiering.

Naar aanleiding van de 3 aanbevelingen van de commissie:
1: Handhaaf de natuurgebieden van nationaal belang (rijksnatuurmonumenten)
Ondanks de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies blijft het Rijk verantwoordelijk voor de internationale verplichtingen. Naar onze opvatting moet de rijksoverheid die verantwoordelijkheid dan ook wel nemen. Die opvatting delen we met de commissie. Of dat dan moet leiden naar Nationale parken nieuwe stijl is echter een ander verhaal. Het moet immers primair gaan om het maximaliseren van de natuurwaarde, zoals ook Van Vollenhoven feitelijk constateert. Een nationaal Park is dan geen doel, maar een mogelijk middel. Zeker wanneer opgeschakeld wordt.

2: Bundel rijksnatuurmonumenten in Nationale Parken (nieuwe stijl)
De gedachte van de Nationale Parken nieuwe stijl aangewezen door het Rijk spreekt als idee aan. Het daaraan verbonden natuurbeleid wordt uitgevoerd door de provincie. En alle beschikbare financiële middelen voor die gebieden worden binnen de Nationaal Park gedachte samengevoegd in één gebiedsfonds.

Over dat laatste, het gebiedsfonds, hebben we grote twijfels, m.b.t. wenselijkheid en haalbaarheid. De verantwoordelijkheid van overheden beperkt zich thans tot wet- en regelgeving, en handhaving. Met de opzet van dergelijke gebiedsfondsen verdwijnt de mogelijkheid voor overheden om natuur via stimuleringsregelingen te ondersteunen. Bovendien wordt van terreinbeheerders gevraagd om hun middelen in een gebiedsfonds onder te brengen. Het nadeel daarvan is dat de beheerder daarmee de facto buitenspel komt te staan: men kan immers niet langer beschikken over de middelen om de eigen terreinen te onderhouden. Terwijl de beheerder wel verantwoording dient af te leggen over de besteding van bv de (provinciaal beschikte) beheermiddelen. Ook de particuliere grondeigenaren spelen daarbij een belangrijke rol; we betwijfelen bijvoorbeeld of men daar heel erg bereid zal zijn om de middelen in een gebiedsfonds te stoppen.

Van Vollenhoven stelt dat gemeenten en provincies, net als het rijk, moeten aangeven welke natuur zij belangrijk vinden, bijvoorbeeld door het aanwijzen van provinciale, gemeentelijke en Rijksnatuurmonumenten. Dat herbergt ons inziens echter ook risico’s:

Door natuur onder te brengen bij gemeenten is de kans groot dat prioriteit aan andere taakstellingen wordt gegeven. Gemeenten hebben al moeite genoeg om bijvoorbeeld de zorgvraag binnen de bestaande financiële kaders op te lossen. ‘Natuur’ loopt dan het risico onderaan de begroting te belanden. Met als mogelijke, onwenselijke uitkomst het ontstaan van 1ste-, 2de- en 3de-rangs natuur. Ook is het de vraag of de stelselwijziging die Van Vollenhoven feitelijk bepleit, nodig is. De decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies heeft ook een boel ervaring opgeleverd; daarvan kan geprofiteerd worden zonder dat op voorhand nieuwe structuren nodig zijn. En nu veranderen, terwijl de decentralisatie net is uitgerold, is qua timing niet wenselijk.

3: Doe voor de zorg voor natuur een groter beroep op de samenleving
De oproep om natuur meer in het hart van de samenleving te plaatsen onderschrijven we van harte. Dan gaat het wat ons betreft primair om het creëren van mede-eigenaarschap, om het versterken van het gevoel dat natuur er toe doet, en van ons allemaal is. Daar willen we als natuurorganisaties nog meer op inzetten.

Echter, voor wat betreft de financiën is er sprake van een andere werkelijkheid, en gaat ons inziens ook de vergelijking met de monumentenwereld mank: Ook in dit rapport (net als in het rapport Monumentale natuur) wordt namelijk een verkeerde aanname gedaan als het gaat om de ‘verdiencapaciteit’ van natuur. Een gebouwd monument vertegenwoordigt een geheel andere marktwaarde en heeft geheel andere exploitatie mogelijkheden dan bijvoorbeeld een schraalgrasland. Om de natuur te behouden is gemeenschapsgeld noodzakelijk. Onvermijdelijk.

Vermeerdering en verbreding van de financiering van natuurbeleid zou vooral gezocht moeten worden in het verder ontwikkelen en uitwerken van het profijtbeginsel; te lang reeds wordt veel geld verdiend aan natuur door ‘derden’, zonder dat daar een financiële bijdrage voor die natuur aan gekoppeld is.

De parallel van cultuursector naar natuursector gaat wat ons betreft hier dus niet op. Het opbrengend vermogen van natuur staat niet in verhouding tot die van cultuur. Dit wellicht met uitzondering van landgoederen en buitenplaatsen. De financieel maatschappelijk meerwaarde van natuur staat in de min, om natuur te beheren is en blijft subsidie nodig.

Tenslotte:
Het valt de commissie te prijzen dat zij de hedendaagse uitdagingen van het natuurbeheer onder de loep heeft willen leggen. En dat zij daarbij de vinger op een aantal zere plekken heeft weten te leggen, zoals de rol van de rijksoverheid, de gebrekkige financiering, en de noodzaak van het nadrukkelijker plaatsen van natuur midden in de samenleving.

De vergelijking met de ervaringen uit de wereld van het erfgoed is een nuttige, en biedt op verschillende plaatsen interessante ‘food for thought’. Naar onze mening, echter, gaat het rapport iets te gemakkelijk voorbij aan de verschillen die zeer zeker ook tussen beide werelden (erfgoed en natuur) bestaan.

Om het maximale te halen uit al die ervaringen en onderzoeken, gaan de Landschappen graag met prof. Mr Van Vollenhoven nader in gesprek. Voor een helderder natuurbeleid, met meer financiële middelen en met een versterkte maatschappelijke verankering!

Het Zuid-Hollands Landschap
"Het Zuid-Hollands Landschap kijkt enigszins anders naar de rapportage, en is daarom geen afzender van de reactie van LandschappenNL".